Kokkel

Kokkel

De kokkel hoort tot de familie der kokkelachtigen. Het is een wit/grijsbruin schelpje met ribbels. Nederland is één van de grootste kokkelproducenten van Europa. De meeste kokkels worden naar Italië en Spanje geëxporteerd. Kokkels leven in de getijdezone en komen in de Westerschelde, Oosterschelde, de Zeeuwse Voordelta en de Waddenzee voor. Kokkels worden in het najaar opgevist. Ze worden van de bodem geschraapt met behulp van korven, waar een zuigleiding aan verbonden is. Zo worden de kokkels aan boord van de vaartuigen gezogen. Dan worden ze gespoeld en kan verdere bewerking plaatsvinden. Ze hebben een maximale lengte van ongeveer 5 centimeter. De in Nederland aangevoerde kokkels zijn ongeveer 3 tot 4 centimeter. De schelp is in doorsnede hartvormig en voorzien van afgeronde ribbels. De kokkel graaft zich met de sterke voet circa 2 tot 3 centimeter in zandige tot slikkige bodems in. Kokkels zijn tegenwoordig het hele jaar verkrijgbaar. De beste tijd voor verse kokkels is van augustus tot december.